Vrijval HIR door verstrijken termijn
(25 augustus 2011)
Tot de activiteiten van een handelsonderneming behoort mede de verhuur aan derden van voorheen in de onderneming gebruikte bedrijfsruimten. Die bedrijfsruimten behoorden tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige (verder: X). X heeft de onroerende zaken, waaronder deze bedrijfsruimten in 1998 verkocht en in 1999 geleverd aan een projectontwikkelaar. De hierbij behaalde boekwinst van 63.631 euro heeft hij in een vervangingsreserve opgenomen.
Eind 2001 heeft X een Beheer BV opgericht die op haar beurt A BV heeft opgericht. Beide vennootschappen vormen een fiscale eenheid. A BV heeft een handelsonderneming gekocht die zij uitoefent in een van een derde gehuurd pand. Hiertoe is zij op 20 mei 2002 een huurovereenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaar met mogelijke verlenging. In de overeenkomst is het recht opgenomen om het pand na de eerste huurperiode van vijf jaar te kopen. Het pand is in maart 2005 daadwerkelijk gekocht en op 13 januari 2006 aan Beheer BV geleverd.
In geschil is of de inspecteur de winst van X over 2003 terecht heeft verhoogd met 63.631 euro wegens vrijval van de HIR. X stelt dat de vervreemdingswinst ultimo 2003 gereserveerd mocht blijven omdat hij toen een begin van uitvoering had gegeven aan de aanschaf van het vervangend bedrijfsmiddel. De voortgang daarvan is evenwel door bijzondere omstandigheden - vanwege veronderstelde bodemverontreiniging - vertraagd.
Het Hof acht door X niet aannemelijk gemaakt dat ultimo 2003 al een begin van uitvoering aan de aanschaffing van het pand was gegeven. Ook indien dat wel zou moeten worden aangenomen kan dat volgens het Hof niet leiden tot het door X gewenst resultaat. Gelet op de uiteindelijke aanschaffing van het pand door Beheer BV moet dan worden aangenomen dat dąt de aanschaffing was die in gang is gezet. Die aanschaffing kan echter niet worden gezien als een uitvoering van het vervangingsvoornemen van X.
Eind 2001 heeft X een Beheer BV opgericht die op haar beurt A BV heeft opgericht. Beide vennootschappen vormen een fiscale eenheid. A BV heeft een handelsonderneming gekocht die zij uitoefent in een van een derde gehuurd pand. Hiertoe is zij op 20 mei 2002 een huurovereenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaar met mogelijke verlenging. In de overeenkomst is het recht opgenomen om het pand na de eerste huurperiode van vijf jaar te kopen. Het pand is in maart 2005 daadwerkelijk gekocht en op 13 januari 2006 aan Beheer BV geleverd.
In geschil is of de inspecteur de winst van X over 2003 terecht heeft verhoogd met 63.631 euro wegens vrijval van de HIR. X stelt dat de vervreemdingswinst ultimo 2003 gereserveerd mocht blijven omdat hij toen een begin van uitvoering had gegeven aan de aanschaf van het vervangend bedrijfsmiddel. De voortgang daarvan is evenwel door bijzondere omstandigheden - vanwege veronderstelde bodemverontreiniging - vertraagd.
Het Hof acht door X niet aannemelijk gemaakt dat ultimo 2003 al een begin van uitvoering aan de aanschaffing van het pand was gegeven. Ook indien dat wel zou moeten worden aangenomen kan dat volgens het Hof niet leiden tot het door X gewenst resultaat. Gelet op de uiteindelijke aanschaffing van het pand door Beheer BV moet dan worden aangenomen dat dąt de aanschaffing was die in gang is gezet. Die aanschaffing kan echter niet worden gezien als een uitvoering van het vervangingsvoornemen van X.
